Procedure vermissing

Wanneer een vliegtuig niet op het verwachte tijdstip op het vliegveld van bestemming aankomt, is er sprake van een vermissing.

LVNL volgt bij vermissing een gestructureerde procedure. Deze procedure doorloopt drie fasen: uncertainty fase, alert fase en distress fase. LVNL verleent 'alerting service' (alarmeringsservice) aan iedere vlucht waaraan luchtverkeersdienstverlening wordt gegeven, die een vliegplan heeft ingediend of anderszins bekend is bij de luchtverkeersleiding en aan vluchten waarvan bekend is of wordt vermoed dat die te maken hebben met een kaping, een zogeheten ‘unlawful interference’. Alerting service is niet alleen het waarschuwen van bepaalde instanties als reddings- en opsporingsactiviteiten nodig zijn voor een hulpbehoevend luchtvaartuig, ook het bijstaan van deze instanties voor zover dat nodig is.

Fase 1: uncertainty fase (onzekerheidsfase)

De uncertainty fase start wanneer de luchtverkeersleiding geen bericht heeft ontvangen van een vliegtuig binnen dertig minuten na het moment waarop dit had moeten gebeuren, of vanaf het moment waarop een eerste poging is ondernomen contact te krijgen met een vliegtuig. Een andere reden om deze fase in te laten gaan is wanneer een vliegtuig dertig minuten na verwachte aankomsttijd nog niet is aangekomen.

Fase 2: alert fase (alarmeringsfase)

Wanneer het tijdens de uncertainty fase nog steeds niet gelukt is om contact te krijgen met het vliegtuig of informatie over het vliegtuig in te winnen bij andere bronnen, is sprake van de alert fase. De tweede reden om tot deze fase over te gaan is wanneer een vliegtuig dat een landingsklaring heeft gekregen, niet is geland binnen vijf minuten na de verwachte aankomsttijd en het niet is gelukt contact te krijgen met vliegtuig. Ook wanneer LVNL informatie heeft ontvangen waaruit blijkt dat het vliegtuig problemen heeft, maar niet dusdanig dat een noodlanding waarschijnlijk is, start de alert fase.

Fase 3: distress fase (noodfase)

Wanneer het tijdens de alert fase nog steeds niet is gelukt contact te krijgen met het vliegtuig en inlichtingen bij relevante bronnen aangeven dat het vliegtuig waarschijnlijk in nood verkeert, start de distress fase. Dit geldt ook voor de situatie dat de brandstof aan boord inmiddels op zal zijn, of onvoldoende is om veilig een bestemming te kunnen bereiken. Ook wanneer de verkeersleiding informatie heeft ontvangen waaruit blijkt dat het vliegtuig (waarschijnlijk) een noodlanding moet gaan maken of heeft gemaakt, start de distress fase.

Bij een (dreigend) vliegtuigongeval op of nabij de luchthaven is LVNL verantwoordelijk voor het alarmeren van hulpdiensten op de luchthaven. Alle luchthavens hebben een eigen, lokale alarmregeling die van toepassing is bij calamiteiten op het luchtvaartterrein. LVNL heeft een crisisregeling die kan worden geactiveerd bij luchtverkeersvoorvallen en andere bijzondere situaties.