Wanneer wordt welke baan gebruikt?

Bij de afhandeling van het luchtverkeer staat de veiligheid voorop. Dat geldt ook voor het gebruik van de start- en landingsbanen. Of een baan kan worden aangeboden voor starten of landen hangt af van de wind, het zicht, de conditie van de baan en de stroefheid. Ook de beschikbaarheid en de nauwkeurigheid van het Instrument Landing System (ILS), waarmee ook bij slecht zicht landingen kunnen worden uitgevoerd en de verlichtingsapparatuur kunnen bepalend zijn of een baan al dan niet kan worden aangeboden. Welke van de banen die beschikbaar zijn, worden ingezet wordt bepaald aan de hand van het geluidspreferentieel baangebruiksysteem (GPBS). Het GPBS bepaalt de banen en combinaties daarvan die uit oogpunt van veiligheid de eerste voorkeur verdienen en daarbij de minste geluidhinder veroorzaken.

Dit houdt in dat bij voorkeur een combinatie van banen wordt aangeboden, die zo min mogelijk mensen hindert. Dit systeem werkt als volgt: van de banen die voor gebruik beschikbaar zijn, wordt een combinatie samengesteld waarvan steeds de minst overlast bezorgende banen de voorkeur genieten. De combinaties bestaan overdag uit twee startbanen en één landingsbaan of twee landingsbanen en één startbaan al naar gelang er meer startend of landend verkeer is. In de nachtelijke uren is één startbaan en één landingsbaan in gebruik. Welke van de beschikbare banen uiteindelijk voor vertrekkende vliegtuigen worden gebruikt, hangt dus af van overwegingen ten aanzien van veiligheid, capaciteit en geluidhinder.