Decompressie

In de lucht- en ruimtevaarttechniek wordt een drukcabine gebruikt om de heersende luchtdruk in een ruimte te controleren. Dit gebeurt door middel van compressoren die lucht van buiten comprimeren en daarna de cabine invoeren.

Dit is noodzakelijk aangezien de luchtdruk in de atmosfeer op grotere hoogte voor mensen te laag is om voldoende zuurstof op te kunnen nemen. Bij wet is zuurstofvoorziening verplicht bij vluchten die plaatsvinden boven de 14.000 voet bij kortdurende vluchten en boven de 10.000 voet (zo'n drie kilometer) wanneer de vlucht langer duurt dan dertig minuten. In een modern verkeersvliegtuig komt de cabinedruk op kruishoogte overeen met de druk op een hoogte tussen de 5.500 en de 8.000 voet. Als de cabinedruk van een vliegtuig op grote hoogte wegvalt, bijvoorbeeld op 40.000 voet (circa twaalf kilometer), kan men al na  vijftien tot twintig seconden ('Time of Useful Consciousness') niet meer normaal functioneren. Daarom worden vliegtuigen met een drukcabine altijd uitgerust met zuurstofmaskers die bij drukverlies automatisch uit het plafond komen vallen.

Het systeem dat voor de cabinedruk zorgt, het zogenoemde Environmental Control System (ECS), zorgt tevens voor ventilatie en verwarming van de cabine.

Wanneer een vlieger aan de luchtverkeersleiding meldt dat hij verminderde druk (decompressie) heeft in de cabine van zijn vliegtuig, instrueert de luchtverkeersleider het vliegtuig naar lagere hoogte (8.000 voet). Op deze hoogte is er een hogere buitenluchtdruk. Het drukverschil tussen de luchtdruk in het vliegtuig en de luchtdruk in de atmosfeer wordt daardoor verminderd. Hierdoor kunnen de passagiers voldoende zuurstof  op blijven nemen. Een vliegtuig met decompressie keert vaak uit voorzorg terug om het technische probleem op te kunnen lossen voor vertrek naar bestemming.