Weersinvloed

De weersomstandigheden spelen een hoofdrol in het baangebruik. De wind en de zichtomstandigheden zijn bepalend. Voor de wind zijn dat de richting en de sterkte. Voor het zicht zijn de hoogte van de onderkant van het wolkendek (verticaal zicht) en het horizontale zicht dat verkeersleiders en vliegers hebben mede bepalend. Onweersbuien, sneeuw, zeer harde windvlagen en mist kunnen het luchtverkeer danig parten spelen en het gebruik van het banenstelsel aanzienlijk beperken.

Vliegtuigen landen en starten tegen de wind in. Landen en starten met een beperkte mate van zijwind is mogelijk. Hoeveel zijwind een vliegtuig bij de start of landing kan hebben hangt af van het type, het gewicht, de hoek van de wind ten opzichte van het vliegtuig en de actuele lokale omstandigheden. Om voldoende snelheid te kunnen maken hebben vliegtuigen een bepaalde baanlengte nodig. Wanneer met de wind mee gestart zou worden moet een vliegtuig een hoge snelheid hebben om los te komen van de grond. Dat vraagt aanzienlijk langere banen. Landen met de wind mee en met een sterke zijwind is vanwege de veiligheid niet gewenst. Vliegtuigen zouden daardoor met een te hoge snelheid aan de grond komen of van de baan worden weggeblazen. Uit het oogpunt van veiligheid wordt op Schiphol een limiet voor de sterkte van de zijwind aangehouden. Wanneer er een zijwind van 20 knopen (is 10 meter per seconde) of meer op een baan staat, mag die niet meer als eerste aan de vliegers aangeboden worden.

De zichtomstandigheden spelen een belangrijke rol bij het bepalen van de baancombinaties. Ook de capaciteit wordt door de zichtomstandigheden beïnvloed. Hoe minder het zicht, hoe groter de onderlinge afstand die tussen vliegtuigen tijdens de nadering moet worden aangehouden. Vliegtuigen kunnen met behulp van het Instrument Landing System een precisielandingen maken. Ook bij mistomstandigheden kan daarmee, al dan niet automatisch, worden geland. Wanneer er op twee banen wordt geland kan er sprake zijn van een baancombinatie waarbij het gebruik van de ene baan het gebruik van de andere baan beïnvloedt. Dan is er sprake van afhankelijk baangebruik. Alleen bij het gebruik van twee parallel liggende landingsbanen is er sprake van onafhankelijk baangebruik. Bij afhankelijk baangebruik kan niet volledig worden uitgesloten dat vliegtuigen die hun nadering afbreken en een zogenoemde doorstart maken, in elkaars vliegpad komen. Daarom mogen afhankelijke baancombinaties alleen worden gebruikt bij voldoende zicht. Vliegers en verkeersleiders zien dan mogelijke onveilige situaties aankomen en kunnen tijdig ingrijpen. Afhankelijke baancombinaties voor landende vliegtuigen mogen alleen worden gebruikt wanneer de wolkenbasis niet lager is dan 1000 ft (ongeveer 330 meter) en er een horizontaal zicht is voor verkeersleiders en vliegers van tenminste vijf kilometer.